Persepolis, oktober 1971. In de woestijn is een stad verrezen. Tenten van zijde als paleizen, tafels gedekt met porselein uit Limoges, kristal uit Baccarat, koks ingevlogen uit Parijs. Staatshoofden uit de hele wereld schrijden tussen zuilen die herinneren aan een beschaving die zijn 2.500ste verjaardag viert. Het Iraanse keizerrijk doet dat groots, esthetisch, tot in detail geregisseerd. En daar, in het midden van dat zorgvuldig gecomponeerde toneel, staat Farah Diba. Jong en stralend, keizerin van een land dat zich aan de wereld wil tonen als modern, cultureel en toekomstgericht. De wereld kreeg een beeld van een land dat traditie én vooruitgang in één beweging kon omarmen. De elegante, westers opgeleide Farah Diba belichaamde dat ideaal als gastvrouw. Ze sprak over musea, over onderwijs voor meisjes, over kunst als levensader van…
