In al haar jeugdige toekomstvisies, over de baan die ze zou hebben, de stad en het huis waarin ze zou wonen, de vrienden en familie om haar heen, was het geen moment bij Marnie opgekomen dat ze eenzaam zou zijn. Tijdens haar adolescentie had ze de toekomst voor zich gezien als een reeks denkbeeldige foto’s, volgepropt met mensen, vriendinnen met de armen om elkaar heen geslagen en rode ogen van de cameraflits in het eetcafé, of verlicht door de vlammen van een kampvuur op het strand. En dan daar, precies in het midden, haar eigen lachende gezicht. De latere foto’s waren lastiger vast te pinnen, de gezichten minder uitgesproken, maar misschien was er een partner, waren er zelfs kinderen onder de vrienden van wie ze ongetwijfeld heel haar leven zou…
