“We kunnen de appel hier toch niet achterlaten?” zei P Huisgenoot P en ik gingen op reis, en het inpakken ging gepaard met de gebruikelijke chaos. Toen ik eindelijk de deur achter ons dicht wilde trekken, rende P terug. “De appel!” riep hij.
“Er ligt nog een appel op de fruitschaal. Die wil ik mee.” Achter zijn rug tikte ik op mijn voorhoofd, maar een minuut later stond hij weer buiten, met in zijn hand: een doodgewone appel, een Jonagold, of zoiets. “Idioot”, foeterde ik, en ik bleef foeteren tot we, nét op tijd, in het vliegtuig zaten.
Twee uurtjes later landden we in Ljubljana, de hoofdstad van Slovenië. In de hotelkamer legde P de appel op zijn nachtkastje. Die bleef daar liggen tot we, drie dagen later, vertrokken naar…
