‘Van huis uit leerde ik: dit leven moet je zien te overleven en daarna kom je in het paradijs terecht. We leefden heel sober. Het geloof stond centraal, verjaardagen en feestdagen vierden we niet. Als we op school sinterklaas vierden, werd ik ergens anders neergezet om huiswerk te maken. Ik voelde me verdrietig en buitengesloten. Sommige ‘wereldse’ kinderen, zoals mijn buurmeisje en een paar kinderen uit mijn klas, kwamen soms bij ons over de vloer, maar het was eerder uitzondering dan regel. Want, zo zeiden mijn ouders: ongelovigen leven een verkeerd leven en zullen nóóit in het paradijs komen. Dat begreep ik als kleuter al niet. Ik stelde kritische vragen, want hoe kon het dat al die lieve mensen om mij heen – buren, familie, vriendinnetjes – in mijn ouders’…